Familieopstellingen

Familieopstellingen

FamilieopstellingenHet maken van een familieopstelling is een vorm van alternatieve psychotherapie die in West-Europa geherintroduceerd werd door de Duitser Bert Hellinger. Hij kwam als West-Europeaan in aanraking met deze werkwijze toen hij als missionaris in Zuid-Afrika werkte. De werkwijze van Hellinger is het systemisch werken. Therapeuten en coaches die systemisch werken trachten d.m.v. het opstellen van iemands systeem van herkomst niet direct zichtbare relaties tussen familieleden en de eventuele knelpunten daartussen te herkennen, erkennen en zo mogelijk weg te nemen.

Een familieopstelling is een therapeutische sessie waarbij een deelnemer een vraagstuk inbrengt waar hij of zij helderheid over wil krijgen. Voor de hoofdrolspelers in dat vraagstuk, vaak familieleden van degene die het vraagstuk inbrengt, worden andere deelnemers uitgekozen als ‘representant’. De vragende deelnemer geeft hen een plaats in het vertrek ten opzichte van de andere deelnemers, deels geholpen door de therapeut.

Er ontstaat zo een tableau vivant dat achterliggende aspecten van het vraagstuk laat zien als de representanten worden ondervraagd over hun gevoelens en attitudes ten opzichte van elkaar en de situatie. Er komen verstrikkingen aan het licht (soms in eerdere generaties) die hebben geleid tot stagnatie in het huidige leven van de deelnemer. Vaak zijn die verstrikkingen onverwerkte gevoelens als gevolg van nare gebeurtenissen, zoals het jong overlijden van een ouder of een kind, oorlogservaring en scheiding van ouders. Die onverwerkte gevoelens kunnen later geboren kinderen onbewust en onbedoeld belasten, waardoor zij uit balans zijn. Aan de hand van eenvoudige instructies van de begeleider brengen de representanten beweging in de situatie en kan er rust komen tussen de personen die de representanten vertegenwoordigen. De effecten van de sessie zijn soms op korte, maar vaak op lange termijn merkbaar.

De methode wordt ook toegepast in organisaties, bijvoorbeeld om te onderzoeken waarom er stagnaties zijn in de ontwikkeling van een organisatie of waarom bepaalde conflicten telkens terugkeren. Er wordt in dit verband niet gesproken van een familieopstelling maar een organisatieopstelling.

De grondleggers van Familieopstellingen

Virginia SatirVirginia Satir (1916-1988) was een Amerikaanse psychologe. Ze was een van de belangrijkste gezinstherapeuten uit haar tijd en tevens de grondlegger van de eerste theorieën in de gezinstherapie. Midden jaren vijftig van de 20e eeuw had ze voor het eerst het idee het gehele gezin in therapie te nemen in plaats van afzonderlijke personen. Zo maakte ze in opstellingen gezinsleden bewust van generatie-overschrijdende patronen binnen de gezinssamenstelling. Tegenwoordig laten veel therapeuten zich leiden door de uitspraken van Satir over de gezinstherapie. Problemen worden niet geïsoleerd gezien, maar het gedrag van alle gezinsleden wordt meegenomen.

De ‘Familiesculptuur’ is een door Satir ontwikkelde systeem-therapie en inzicht geeft over de persoon zelf, zijn relatie tot andere mensen en de samenstelling van zijn gezin. Relaties en gedrag van gezinsleden kunnen in een afbeelding symbolisch uitgebeeld worden. Virginia Satir ontwikkelde een model met vier negatief doorwerkende communicatievormen:

  1. Geruststellen: Ik moet iedereen gelukkig maken opdat men van mij houdt;
  2. Aanklagen: Niemand bekommert zich om mij. Zo lang ik niet om mij heen brul, doet sowieso niemand iets;
  3. Rationaliseren: Ik moet anderen laten zien hoe intelligent ik ben. Logica en goede gedachten zijn het enige ware;
  4. Aandacht afleiden: Ik zal de aandacht wel krijgen, maakt niet uit welk gedrag ik daarvoor moet opvoeren.
https://velsenacademy.nl/

Ivan Boszormenyi-Nagy  (1920-2007) was een Amerikaanse psychiater en een van de grondleggers op het gebied van de gezins-therapie. Nagy maakte vooral naam door het ontwikkelen van de contextuele benadering van gezinstherapie en individuele psychotherapie. Het contextuele model stelt vier dimensies van relationele realiteit voor: 1. Feiten (bijvoorbeeld genetische input, fysieke gezondheid, etnisch-culturele achtergrond, sociaal-economische status, historische basisfeiten in de levenscyclus van een persoon, enz.); 2. Individuele psychologie (het domein van de meeste individuele psychotherapieën); 3. Systemische transacties (het domein dat onder klassieke systemische familietherapie valt: bijvoorbeeld regels en macht); 4. Relationele ethiek. Deze dimensies worden als onderling verbonden beschouwd, maar zijn niet met elkaar vergelijkbaar of reduceerbaar. Het contextuele model stelt relationele ethiek voor. Relationele ethiek richt zich in het bijzonder op de aard en rollen binnen en tussen generaties op het gebied van verbondenheid, zorgzaamheid, wederkerigheid, loyaliteit, erfenis, schuldgevoel, billijkheid, verantwoordelijkheid en betrouwbaarheid.

In een latere formulering van het contextuele model stelde Nagy een vijfde dimensie voor: Meer expliciet gaat het om de aard van de onderlinge verbinding tussen mensen, waardoor een individu beslissend kan bestaan ​​als een persoon, en niet alleen een zelf. De contextuele therapie wordt in Nederland veelvuldig door hulpverleners toegepast, vooral bij hen die zich richten op jongeren. Ook in diverse kerken past men deze methode toe onder de noemer: ‘contextueel pastoraat’.

Bert Hellinger

Bert Hellinger (1925-2019) heeft Familie-opstellingen wereldwijd bekend gemaakt. Zijn klassieke opstellingsmethode legt de nadruk op drie mechanismen die verantwoordelijk zijn voor de manier waarop mensen zich binden aan sociale systemen, zoals families, en hoe er patronen ontstaan binnen die systemen. Bert Hellinger noemde deze mechanismen: Het persoonlijk geweten, het collectieve geweten en het Universele geweten.

Het persoonlijk geweten vertelt je wanneer je iets doet direct of je meer of minder bij een systeem hoort: welk gedrag maakt dat je er meer bij hoort en welk gedrag maakt dat je het risico loopt eruit gezet te worden. Het collectieve geweten waakt over het voortbestaan van het systeem in zijn geheel. Dit collectieve geweten werkt, in tegenstelling tot het persoonlijk geweten, onbewust. Het universele geweten is een mechanisme met scheppende kracht en richting. Het is alle systemen en alle mensen in gelijke mate welwillend toegewend. Hellinger noemde dit mechanisme ‘geest’.

Bert Hellinger noemde zijn werkwijze ook systemisch werken. Therapeuten en coaches die systemisch werken trachten door middel van het opstellen van iemands systeem van herkomst niet direct zichtbare relaties tussen familieleden en de eventuele knelpunten daartussen te herkennen, erkennen en zo mogelijk weg te nemen.

Een familieopstelling was volgens Hellinger een therapeutische sessie, waarbij een deelnemer een vraagstuk inbrengt waar hij of zij helderheid over wil krijgen. Voor de hoofdrolspelers in dat vraagstuk, vaak familieleden van degene die het vraagstuk inbrengt, werden andere deelnemers uitgekozen als ‘representant’.

https://velsenacademy.nl/Franz Ruppert (1957) is een Duitse psycho-traumatoloog. Hij is hoogleraar psychologie aan de Katholieke Hogeschool in München en werkt als psychotherapeut in zijn eigen praktijk in München. Sinds 2015 ontwikkelt hij identiteitsgerichte psycho-traumatherapie (IoPT). Als psychotherapeut werkt hij in heel Europa, Azië en de VS, waar hij lezingen, bijscholingen en seminars geeft over de meergenerationele Psycho-traumatologie en identiteitsgerichte psychotraumatherapie met zijn concept Splitsing van de psyche na een traumatische ervaring: Traumadeel. overlevingsdeel en gezonde deel van de psyche.

In 1992 werd Ruppert benoemd tot hoogleraar psychologie aan de Katholieke Universiteit voor Toegepaste Wetenschappen in München. In 1999 kreeg Ruppert de vergunning om geneeskunde te beoefenen als psychologisch psychotherapeut. Vanaf 1999 nam hij duidelijk afstand van de aanpak van familieopstellingen. Sindsdien richt hij zich niet langer op het gezin of het systeem, maar op een op theorie en binding gerichte traumatische benadering die zich richt op de psyche van de cliënt.

Sinds 2012 organiseert Ruppert samen met de Vereniging ter Bevordering van Gezonde Autonomie van Mensen om de twee jaar een internationaal congres over de verdere ontwikkeling van identiteitsgerichte psychotraumatheorie en de toepassing ervan in de praktijk, in 2020 met zijn collega Joachim Bauer, neurobioloog Gerald Hüther en psychoanalyticus Hans-Joachim Maaz. In zijn boeken, die in meer dan tien talen zijn vertaald, schetst Ruppert universeel toepasbare kenmerken van traumatische processen en hun gevolgen voor de menselijke psyche.

De Adverse Childhood Experiences studie

ACE

DE ACE-STUDIE

In de periode 1995 – 1997 zijn in Amerika 17.500 volwassenen geënquêteerd om inzicht te krijgen in de relatie tussen trauma en ziekten:
De Adverse Childhood Experiences studie.

De vragen gingen over eventuele blootstelling aan:

  • Fysiek, emotioneel of seksueel misbruik;
  • Fysieke of emotionele verwaarlozing;
  • Ouders met psychische problemen;
  • Afhankelijkheid van drugs;
  • Verblijf in een gevangenis;
  • Scheiding van tafel en bed of echtscheiding;
  • Huiselijk geweld.

Voor elke “ja” kreeg de deelnemer een punt op zijn ACE-scorekaart. Het resultaat was opmerkelijk; 67% van alle deelnemers had tenminste één ACE en 12,6% had vier of meer ACE’s. De conclusie was dat negatieve ervaringen uit de kindertijd van invloed zijn op het welzijn van de gehele levensduur en hoe meer ACE’s des te groter de kans op gezondheids-problemen.

De geënquêteerden werden gevolgd en er werd vastgesteld dat bij zeven ACE’s of meer de kans op lonkanker en een hartaanval respectievelijk 3 en 3,5 keer hoger is.

Bijwerkingen als gevolg van vroegkinderlijke traumatische ervaringen komen vaak voor. Bijvoorbeeld: 28% van de deelnemers aan de ACE-studie rapporteerden mishandeling en 21% rapporteerden seksueel misbruik. Veel deelnemers rapporteerden ook een echtscheiding of scheiding van tafel en bed of ouders met psychische stoornissen of drugsgebruik.

DE ACE-CHECKLIST (Vraag om professionele (psychische) hulp als je naar aanleiding van de vragen iemand wil raadplegen).

Terwijl je opgroeide, tijdens jouw eerste 18 levensjaren:

  1. Heeft een ouder of een andere volwassene in het huishouden tegen jou gevloekt, jou beledigd, gekleineerd, of vernederd? Of werd je bang gemaakt dat je wellicht geslagen zou worden?
    Zo ja, antwoord 1:  ___

  2. Heeft een ouder of een andere volwassene in het huishouden jou vaak of heel vaak geduwd, gepakt, geslagen, of iets naar jou gegooid? Of ben je ooit zo hard geslagen dat je gewond bent geraakt?
    Zo ja, antwoord 1:  ___

  3. Heeft een volwassen persoon, minstens 5 jaar ouder dan jij, jou ooit gestreeld, intiem aangeraakt of intiem laten aanraken?   Of pogingen tot of daadwerkelijk oraal, anaal of vaginale geslachtsgemeenschap?
    Zo ja, antwoord 1:  ___

  4. Heb jij vaak of heel vaak het gevoel gehad dat niemand in jouw familie van je hield en dacht dat je niet belangrijk of bijzonder was? Of dat jouw familie niet voor elkaar zorgde, dicht bij elkaar stond, of elkaar hielp?
    Zo ja, antwoord 1:  ___

  5. Heb jij vaak of heel vaak het gevoel dat je niet genoeg te eten hebt gehad, vuile kleren moest dragen en niemand had om jou te beschermen? Of dat jouw ouders té dronken of high waren om voor jou te zorgen of naar de dokter te brengen toen het nodig was?
    Zo ja, antwoord 1:  ___

  6. Zijn jouw ouders ooit gescheiden?
    Zo ja invoeren 1  ___

  7. Werd jouw moeder of stiefmoeder vaak of heel vaak geduwd, gegrepen, geslagen of werd er iets naar haar gegooid? Of werd zij soms, vaak of heel vaak geschopt, gebeten, gestompt of met iets hards geraakt? Of ooit herhaaldelijk (minstens een paar minuten) bedreigd met een pistool of een mes?
    Zo ja, antwoord 1:  ___

  8. Heb je bij iemand gewoond die een probleemdrinker of alcoholicus was of iemand die drugs van de straat gebruikte?
    Zo ja, antwoord 1:  ___

  9. Was iemand in het huishouden depressief of geestelijk ziek of heeft iemand in het huishouden een zelfmoordpoging ondernomen?
    Zo ja, antwoord 1:  ___

  10. Heeft iemand in het huishouden in de gevangenis gezeten?
    Zo ja, antwoord 1:  ___

Tel nu jouw antwoorden op:  ___  Dit is jouw ACE Score.

BINDINGSSYSTEEMTRAUMA

Bindingssysteemtrauma‘Existentieel en verliestrauma kunnen een symbiosetrauma tot gevolg hebben. Dit kan weer tot traumatisering van een geheel bindingssysteem leiden wanneer symbiotisch getraumatiseerde mensen een gezin stichten en kinderen ter wereld brengen. Een moeder die bijvoorbeeld vroeg een kind heeft verloren, kan doorgaans geen veilige hechtingsrelatie opbouwen met een volgend kind. Dit kind lijdt dan onder een symbiosetrauma. Als dit meisje later in haar leven een partner zoekt die eveneens onder een symbiosetrauma lijdt, dan kan het gebeuren dat ook zij als moeder haar kind verwaarloost en misschien zelfs afwijst. Mogelijk neemt dit kind dan vanuit zijn symbiotische behoefte zijn toevlucht tot zijn vader, die op zijn beurt vanuit zijn eigen symbiotische behoefte deze situatie misschien misbruikt.

Zo kan een kind ingepalmd worden en ontstaan er omstandigheden waarin seksueel misbruik plaats zou kunnen vinden. Hierdoor ontstaan situaties die gepaard gaan met hevige schaamtegevoelens en die bij de betrokkenen zulke grote schuldgevoelens opwekken dat ze niet in staat zijn deze in hun persoonlijkheids-structuur te integreren. Dit heeft dan bindingssystemen tot gevolg waarin van generatie op generatie alle relaties doordrongen zijn van traumata en steeds weer nieuwe traumata worden veroorzaakt. Ik spreek in dergelijke situaties van een bindingssysteemtrauma-situatie.’

UIT: Franz Ruppert, Bevrijding van trauma, angst en onmacht.
Eeserveen 2012 (blz. 126.).

VIER STAPPEN IN HET HELINGSPROCES

Het veranderingsproces heeft bij iedere cliënt zijn eigen tempo en zijn eigen ritme. Er zijn in principe vier stappen die heilzaam zijn:

  • het ontwikkelen van de gezonde delen;
  • het opgeven van overlevingsstrategieën en het erkennen van illusies;
  • de ontmoeting met de afgesplitste getraumatiseerde delen;
  • de bereikte autonomie vullen met eigen levensdoelen.
Coaching
Scroll naar boven