Moeder
‘De zielsbinding met de moeder is zowel voor zonen als voor dochters de sterkste binding in hun leven. Geen enkele andere binding in het leven heeft een vergelijkbare kwaliteit en intensiteit. Geen andere binding heeft zulke verstrekkende gevolgen voor het leven van een mens. Geen enkele andere binding werkt sterker over meerdere generaties heen als basis voor een gelukkig of ongelukkig leven. De moeder-kindbinding is daarom ook de bron van de meeste zielsverwarringen.
De kracht van deze binding ontstaat door de omstandigheid dat een moeder en een kind gemiddeld negen maanden tot de geboorte als één organisme leven. Moeder-kindbindingen ontstaan en worden versterkt door een groot aantal mechanismen zoals instinctieve inprentingen, jarenlang lichaamscontact, voeding en verzorging en talloze gemeenschappelijke emotionele ervaringen.
De ontwikkelingspsychologie heeft deze processen gedetailleerd beschreven (Stern 1992; Oerter en Montada 1995; Greenspan 2001). In de prenatale fase is de moeder-kindbinding duidelijk waarneembaar. Het kind groeit in het lichaam van de moeder en is via haar stofwisselingssysteem, hormonenhuishouding, immuun-systeem en zenuwstelsel op velerlei wijze met haar organisme en persoon verbonden. Onmiddellijk na de geboorte wordt de navelstreng, die moeder en kind fysiek verbindt, doorgesneden. Vanaf dat moment existeren er twee lichamelijk gescheiden maar tegelijkertijd op zielsniveau verder verbonden wezens. Via de moedermelk en het intensieve lijfelijke contact blijft voor het kind een essentiële uitwisseling van voedings-, hormonen immuun-stoffen nog steeds behouden. Het kinderlijke zenuwstelsel ontvangt van zijn moeder levensnoodzakelijke stimulatie en op zijn ontwikkelingsniveau aangepaste informatie om te groeien.
In het meest gunstige geval komen twee processen samen en vullen elkaar aan. De moeder voelt het kind aan en probeert zijn behoeften en uitingen te begrijpen en daar gepast op te reageren. Ze merkt zijn behoefte aan geborgenheid en nabijheid op. Door veranderingen op lichamelijk niveau wordt dit aanvoelings-vermogen versterkt: “Tijdens de geboorte en bij de beginnende lactatie (toeschieten van moedermelk) vinden er grote veranderingen plaats in de overdracht van een reeks hormonen en signaalstoffen. Deze leiden ertoe dat in de hersenen van de moeder bepaalde zenuwcelknooppunten geactiveerd worden, die het proces van de vroege binding ondersteunen en versterken.” (Hüther en Bonney 2002, pag. 32)
Van zijn kant streeft het kind ernaar de hechting met zijn moeder te behouden, en deze elke keer weer tot stand te brengen en te versterken. Het probeert met alle mogelijke middelen zijn moeder op zielsniveau te bereiken om haar lichamelijk en gevoelsmatig beschikbaar voor zich te hebben. Metaforisch zou men kunnen zeggen: het kind is op zoek naar de ziel van de moeder en de moeder is op zoek naar de ziel van het kind.
Tijdens de ontwikkeling van het kind neemt deze intensieve uitwisseling af, enerzijds omdat de moeder zich steeds meer uit haar ondersteunende rol terugtrekt, anderzijds omdat het kind ook in toenemende mate naar autonomie streeft. De intensiteit van de lichamelijke ondersteunde binding neemt geleidelijk af. In plaats daarvan ontwikkelen zich psychische en geestelijke processen die de zielsbinding tussen moeder en kind in stand houden en verankeren. Er begint langzamerhand een losmakingsproces, dat door de psychoanalyticus Margret Mahler nauwkeurig is bestudeerd en beschreven. Zij onderscheidt tot aan het derde levensjaar vier verschillende fasen:
- de symbiotische fase in de eerste weken na de geboorte;
- de fase van het losmaken en individualisatie, van de 7de tot de 18de levensmaand;
- de fase van hernieuwde toenadering, van de 14de tot de 22ste
levensmaand; - de consolideringfase, die duurt tot aan het derde levensjaar (Mahler, Pine en Bergmann 1980)
Een falende hechting van het kind aan zijn moeder behoort daarmee tot de meest dramatische gebeurtenissen met de meest verstrekkende gevolgen voor de levensweg van de mens. Zoals de studie van René Spitz aantoont, is een falende hechting aan de moeder levensbedreigend voor een kind. Een verzorging met alleen voeding en hygiëne is niet toereikend om kinderen in leven te houden die hun moeder hebben verloren (Schmalohr 1980).
De pionier op het gebied van de hechtingstheorie, John Bowlby, heeft de gevolgen van falende hechtingsmogelijkheden van kleine kinderen aan hun moeder op indrukwekkende wijze vastgelegd (Bowlby 1995). Allereerst wordt het kind onrustig en raakt in paniek en huilt vaak en luid. Als er een plaatsvervanger voor de moeder is, dan klampt het zich vertwijfelt aan hem of haar vast. Gedurende een bepaalde tijd is het nog woedend en protesteert ertegen alleen gelaten te worden. Uiteindelijk geeft het de hoop op en vervalt in een depressieve en apathische toestand. Zelfs als de moeder op dat moment komt, blijft het kind op afstand. In het geval dat het zijn behoefte aan hechting met de moeder onderdrukt, beschermt het zichzelf tegen de pijn van de traumatische ervaring gescheiden te zijn van zijn moeder.
Moeder
UIT: Franz Ruppert, De verborgen boodschap van psychische stoornissen.
De waarheid heelt de waan. Eeserveen 2009 (blz. 66, 67, 68, 69, 70)